Toen ik mijn zorgopleiding volgde werd een nauwe (vertrouwens) band met een zorgvrager, bewoner of cliënt nou niet bepaald aangemoedigd. Sterker nog men vond het zelfs onprofessioneel en een te nauwe band had alleen maar een slechte invloed op je werk, dacht men. Ik heb dit ‘advies’ nooit opgevolgd. Niet omdat ik daar nu eens expres tegenin wilde gaan, me niets aan wilde trekken van opgelegde ‘regels’(let wel ik was 16 toen ik de opleiding begon en dan ben je eigenlijk nog maar een puber), nee ik kón gewoon niet anders.
Ik had gewoon al heel jong een zorghart, de empathie kwam toen al mijn oren uit. Ik kon gewoonweg niet klinisch en praktisch mijn werk doen zonder te letten op het lief en leed van ‘mijn’ bewoners. Ik was altijd razend nieuwsgierig naar iemands leven voordat ze naar een verpleeghuis gingen hoe ze geleefd hadden, wat ze deden voor de kost, waar iemand blij van werd of juist verdrietig. Een levensverhaal opschrijven dat deed men toen nog niet en het was echt hard werken in een verpleeghuis met minstens 30 bewoners op één afdeling. Zoveel tijd voor welzijn was er niet. Het gebeurde bijna dagelijks dat er in de ochtend niet genoeg tijd was om alle bewoners gewassen en gestreken te hebben. Dan gingen we na het middageten door met adl-zorg.
En toch kreeg ik een band met de bewoners, niet met één maar met alle dertig bewoners van de afdeling. Ik probeerde zoveel mogelijk informatie die ik van hen kreeg te onthouden zodat ik bij volgende contact momenten gespreksstof had. En ondanks hoge werkdruk toch mijn hart te laten spreken, zoveel mogelijk troost en liefde te verspreiden met mijn handen, mijn hoofd en mijn hart. Ik denk dat dit wel gelukt is het deed pijn om afscheid te nemen, en hoe geweldig was het dat er een bus vol bewoners en collega’s mij kwamen feliciteren op mijn trouwdag.
Een band opbouwen met zorgvragers, bewoners, cliënten maar ook met familie/mantelzorg ging vanzelf, elke keer wanneer ik een andere werkplek kreeg of van baan veranderde. Ik zie het als een parel een aangeboren talent wat ik gekregen heb. Ik ben altijd heel dankbaar geweest en nog dat empathisch zijn me goed af gaat, dat ik in staat ben om liefde te voelen en liefde te geven aan de kwetsbare ander. Een lichtje te zijn voor iemand in een moeilijke levensfase, een hart onder de riem te steken of een bemoediging te geven of tot troost te mogen zijn in iemands leven of aan een (ziek)bed.
Meer dan twintig jaar ouderen/verpleeghuiszorg heb ik er inmiddels opzitten. En nu de thuiszorg als zzp’er. En die empathie is niet verminderd, die nieuwsgierigheid ook niet en nog altijd willen mijn hart, hoofd en handen hetzelfde als toen ik nog maar zestien was, zoveel mogelijk troost, steun en liefde verspreiden. En ja zo’n band kan verdrietig maken wanneer er afscheid genomen moet worden, dan steekt het een beetje vanbinnen dan is het wel eens moeilijk om de zorg uit handen te moeten geven aan anderen. Als het een definitief afscheid nemen word in dit leven dan voel ik dat in mijn (zorg)hart, dan is het net of er een lichtje dooft...Maar voor die gedoofde lichtjes komen er altijd weer vlammetjes terug.
Maar dat het een slechte invloed heeft op mijn werk dat kan ik resoluut ontkrachten! En o ja, ik ben wel eens ‘versmolten’ met verdriet en pijn van zorgvragers waarbij ik moeite heb moeten doen om staande te blijven maar toch had ik het niet willen missen. Nee, neem nou maar van mij aan dat een band opbouwen met een zorgvrager geen slechte invloed heeft op je werk, het geeft mij nog altijd vleugels en het maakt mijn hart licht en warm. Ik heb die (liefde/vertrouwens)band misschien nog wel meer nodig dan die kwetsbare ander. Het houdt me als het ware in balans. Soms slaat die weegschaal een beetje door dan en geef ik teveel en vergeet ik mezelf. Net als empathie een aangeboren talent lijkt te zijn, lijkt teveel geven bij mij een aangeboren ‘mankement.’ Soms moet de rem er even op en dat vind ik een stuk moeilijker dan gas geven.